Wat als er een plek is waar jij je talenten kunt ontwikkelen? Een plek waar je kunt laten zien wat je kan bijdragen, maken of hoe jij de wereld mooier kan maken? Die plek is er. Toolbox in Emmen heeft een plek gecreëerd waar ze zowel mensen als gemeenten laten zien dat je meer kan bereiken als je denkt in mogelijkheden in plaats van beperkingen.

“Toolbox is een ontwikkelcentrum”, legt Adriaan Pals uit. Samen met Bert Leiting en Johan Wachtmeester opende hij in december 2016 de deuren van Toolbox. “We zijn een flexplek voor makers, hebben werkplaatsen en ondersteunen de gemeente met dagbesteding. Op dit moment groeien we gemiddeld met vier deelnemers per maand. Maar om te komen waar we nu staan hebben we echt hard moeten werken om te zorgen dat onze deelnemers krijgen waar ze recht op hebben. Inmiddels staat de organisatie goed en zijn we bezig met verdere professionalisering om zo nog meer mensen te helpen en te ondersteunen.”

De Toolboxfilosofie

Bij Toolbox staan de deelnemers dus centraal. “Wij ondersteunen mensen zodat zij weer actief deel kunnen nemen aan de maatschappij. Het huidige systeem in Nederland zit zo in elkaar dat jij als mens niet altijd krijgt wat je nodig hebt om jezelf te ontwikkelen. Wij vinden dat de maatschappij te weinig investeert in de ontwikkeling van de medemens en hoe zorginstanties met elkaar omgaan. Als je instanties per uur betaalt zullen ze ook zorgen dat ze zoveel mogelijk uren maken en de mensen vanuit hun beperking benaderen. Maar de vraag die niet gesteld wordt, is: ‘wat heb je nodig?’ Dat willen wij veranderen”, legt Pals uit. “Wij willen mensen benaderen door hun talenten te erkennen, ze meer zelfvertrouwen te geven, hun eigenwaarde te verhogen en ze een veilige omgeving te geven waar ze kunnen doen waar ze goed in zijn en juist dat verder ontwikkelen.”

Zo is ook Aerial 51 ontstaan, een indoor drone racebaan in het oude AmeriCase. Het was een idee wat ontstond wat aansloot bij een aantal Toolbox deelnemers waaronder een dronevlieger en een racedrone-bouwer. Het zijn geen kwaliteiten die je in een normale baan kan inzetten, daarom heeft Toolbox een baan rondom de kwaliteiten gecreëerd.

Luisteren naar behoeftes

Toch was het idee voor Toolbox in eerste instantie anders dan hoe het er nu uitziet. “Mijn theorie was dat een professional een abonnement kon kopen zodat hij iets kon maken in de werkplaats wat hij dan vervolgens weer kon verkopen”, legt Pals uit. “Iemand met afstand tot de arbeidsmarkt zouden wij dan aan die professional koppelen zodat die persoon daarvan kon leren. Een soort gildesysteem.”

In de praktijk kwamen ze er al snel achter dat dat niet werkte. “We zagen dat mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt vaak veel technischer waren dan de professionals die een abonnement afnamen. Alleen door alles wat ze meegemaakt hadden, waren die mensen er niet van overtuigd dat ze een toegevoegde waarde hebben. Het blijkt dus in de praktijk dat wij onze waarde behalen door deelnemers te overtuigen dat ze er wel toe doen en wel degelijk toegevoegde waarde hebben. En niet door het leren van technische vaardigheden.

“Nu begeleiden en coachen we mensen om meer zelfvertrouwen te krijgen. Dat doen we door het zorgvuldig opbouwen van de interne cultuur. Bijvoorbeeld: hoe gaan we bij Toolbox met elkaar om? Maar ook mensen oprecht complimentjes geven, mensen laten doen waar ze goed in zijn en dan oprecht verbaasd zijn hoe goed ze iets doen en juist dat complimenteren. Daarnaast evalueren we elke vier tot zes weken met de deelnemers. Daarin kijken we hoe het gaat, waar ze tegenaan lopen en wat ze nodig hebben. Die een-op-een gesprekken dragen ook bij aan het vergroten van het zelfvertrouwen en eigenwaarde. Als laatste is een groot deel van ons werk ook het observeren van de deelnemers om zo op te merken waar ze goed in zijn en ze aan te moedigen daar meer van te gaan doen.”

Doelen voor 2020 en verder

Ten tijde van het interview vierde Toolbox zijn driejarige bestaan. En daar stopt het zeker niet. In december 2019 kreeg Toolbox een raad van toezicht. “Deze onafhankelijke partij controleert of we ook doen wat we zeggen. We hebben ze onze plannen voor 2020 voorgelegd en ze zijn niet alleen een goede stok achter de deur, maar ook een stap in de richting van verdere professionalisering.”

Toolbox wil namelijk echt een verandering teweegbrengen bij gemeentes en andere overheden om zo een verschil te maken voor de mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Maar daar zijn subsidies voor nodig. De raad van toezicht is niet alleen een extra professionaliseringsstap, maar ook een extra zekerheid voor overheidsinstanties dat Toolbox de subsidies goed gebruikt.

“Naast de verdere professionalisering willen we in 2020 onder andere verder groeien in het aantal deelnemers. Op die manier kunnen we nog beter ondersteunen in de ontwikkeling van onze deelnemers, en nog meer werk voor hun creëren zowel binnen Toolbox als daar buiten. Maar we willen ook verder onderzoek doen naar het huidige systeem in Nederland, en hoe we dat kunnen verbeteren. Daarover willen we ook echt die discussie aanzwengelen.”

En dat onderzoek is hard nodig volgens Toolbox en kan voor een positieve ontwikkeling zorgen voor de maatschappij. “We werken samen met de Hanze Hogeschool aan een onderzoek om de ontwikkeling van de deelnemers op verschillende levensgebieden beter in kaart te brengen”, zegt Pals. “En daarnaast ook wat de ontwikkeling van deze mensen voor positieve invloed kan hebben en welke besparing dat oplevert voor de maatschappij. We willen een systeem creëren in 2020 dat werkt en wat dus ook door andere partijen te gebruiken is.

Impact maken en systemen doorbreken

Toolbox’s missie voor 2020 en verder is dus het doorbreken van de huidige systemen rondom mensen met een afstand tot de maatschappij en arbeidsmarkt. “We willen laten zien welk gedrag er wordt uitgelokt met de huidige verdienmodellen. Dat als organisaties een budget per individu krijgen, ze dat als verdienmodel gaan zien en gaan praten in beperkingen in plaatst van de mogelijkheden. En dat als je een organisatie beloond per uur, dat ze zoveel mogelijk uren gaan maken in plaatst van te kijken hoe ze iemand echt kunnen helpen”, zegt Pals. “En daarom kijken wij bij Toolbox naar de mogelijkheden in plaats van de beperkingen.”

Toolbox zit midden in het Rensenpark in Emmen. Het park wat eerder het thuis was van het Noorder Dierenpark Emmen is nu thuis voor verschillende ondernemingen.

In 2012 was Jos Meijers het zat om voor een baas te werken. En terwijl hij thuiszat, bedacht hij een revolutionair nieuw idee: een voedseltuin voor de voedselbank, midden in Groningen stad. Daar is Toentje uit ontstaan. “In het hoogseizoen leveren we nu 4500 kilo aan de voedselbank. Dat komt neer op 18.000 porties per jaar. En met ons nieuwe project ‘Boeren voor de voedselbank’, wordt dit alleen maar meer. Toentje, Terra en een aantal akkerbouwers gaan samen aan de slag voor een nog grotere stroom van groenten voor de voedselbanken.”

“In mijn vorige werk kwam ik veel jongens tegen, die van de voedselbank afhankelijk waren”, vertelt Jos. “Die vertelden dat er veel houdbare producten waren zoals macaroni, en producten in blikken, maar geen verse levensmiddelen. Daar wilde ik wat aan gaan doen.”

“Dus toen ik zonder baan kwam te zitten ben ik gaan denken: wat vind ik nou leuk? Daar is Toentje, uit ontstaan. Ik maakte een plan, ging naar de gemeente, en het bleek dat die net een nieuw armoedebeleid hadden gemaakt. Daarin stond een regeltje waardoor ik subsidie kon krijgen en samen met de gemeente aan de slag kon gaan.”

Van stichting naar sociale onderneming

Nu, zeven jaar later is Toentje geen stichting meer, maar een sociale onderneming. Nog steeds krijgen ze 50% uit subsidies, maar 50% zijn ook eigen inkomsten. “Dat vond de gemeente best heel spannend, die eigen inkomsten. Dat is eigenlijk een terrein waarin nog niet zoveel bedrijven opereren. Maar het voelde voor ons ook nodig om een andere geld bron te vinden. Subsidies zijn natuurlijk niet gegarandeerd, en we wilden een wat vastere inkomensbron voor onszelf maken op deze manier.”

Daarom heeft Toentje inmiddels haar eigen buurtrestaurant en een aantal producten ontwikkeld. “We hebben onze eigen honing: Groning. Dat is begonnen omdat we een gesprek hadden met de imker in onze tuin. Die verkocht een groot deel van zijn honing aan de groothandel. Dat is zonde natuurlijk! Hoe leuk is het als lokale mensen de honing kunnen kopen van bijen die gewoon door Groningen vliegen. Die honing heeft gewoon een goed verhaal.” Inmiddels werkt Jos samen met verschillende imkers in de stad.

Maar dat is niet het enige, Toentje heeft ook een hoptuin, waar ze hop kweken voor bierbrouwerij Bax. “We wilden de lokale keten stimuleren. Dat doe je het beste door een aantal dingen aan elkaar te koppelen. Zo zijn we bij Bax terecht gekomen en we hebben nu de enige hoptuin in Nederland midden in de stad. Als Groninger kun je dus je biertje zien groeien. Dat is echt heel goed ontvangen. Bij het Forum en Dille en Kamille lopen het biertje ‘Kon Minder’ en de Groning honing als een trein.”

Volgens Jos komt dat omdat mensen gewoon behoefte hebben aan een goed verhaal. “ Zeker in de tijd waar er al zoveel op iedereen af komt. Dan gaan mensen juist op zoek naar authenticiteit. Groning en Kon Minder hebben dat. Maar de mensen die het kopen blijven wel consumenten, dus het kan wel een goed verhaal hebben, het moet daarnaast ook wel echt gewoon een goed product zijn.”

Een lange adem

Een van de grootste uitdagingen die Jos tegenkwam in de afgelopen zeven jaar is naar eigen zeggen toch wel het gebrek aan tijd en focus. “Je moet je wel echt blijven focussen en veel versimpelen. Er zijn zoveel dingen leuk en voor veel dingen is ook een kwestie van een lange adem hebben.”

Gelukkig levert dat ook veel op. “Omdat we een lange adem hebben gehad, zijn we nu één van de spelers die vooraan staan in het veld. Er komen vaak mensen van verschillende scholen en universiteiten kijken hoe wij het gedaan hebben. Maar ook mensen die een eigen initiatief willen starten. Zo zijn er in verschillende steden al voedseltuinen voor de voedselbank ontstaan. Daar word ik heel blij van”, zegt Jos.

Iedereen is welkom

“We hebben allerlei soorten mensen van ex-daklozen tot expats. Je kan het zo gek niet bedenken: iedereen is hier welkom”. “Wat je vaak ziet is dat mensen in hetzelfde vijvertje blijven zitten, maar wij brengen mensen van alle lagen van de samenleving samen. Dat maakt ons heel uniek.”

Die combinatie is ook heel goed voor de mensen die bij Toentje werken. “Iedereen gaat heel respectvol met elkaar om. We hebben een hele nuchtere, open manier van samenwerken. Dat is echt onze kracht. Er is plek voor mensen die samen willen werken, maar er is ook plek voor mensen die meer rust nodig hebben.”

Ruimte en persoonlijke aandacht is bij Toentje dan ook heel belangrijk. “We kijken echt naar wat mensen nodig hebben, maar laten ze vaak ook eerst tot rust komen. Er komen veel mensen bij ons met een zware rugzak, die helemaal moegestreden zijn van het systeem. Dan is het fijn om eerst tot rust te komen en te kijken waar ze naar toe willen. We hebben geen uitgestippeld plan, en kijken echt met iedereen persoonlijk mee.”

De sociale hub van de stad

Behalve mensen via de voedselbank van eten voorzien, doen ze nog veel meer. Zo geven ze les aan basisschoolkinderen om te laten zien waar hun eten vandaan komt, waarna de kinderen in de lente een aantal dagen in de tuin komen werken om in speciale bakken hun eigen groente te verbouwen. Later komen ze ook nog om in de keuken van Toentje’s buurtrestaurant Bie de Buuf hun eigen eten klaar te maken.

“We willen kinderen zo laten zien dat je heel gemakkelijk en goedkoop lokaal eten kan klaarmaken dat gezond en lekker is”, aldus Jos. “Heel veel scholen hebben nu nog geen leerlijnen rondom voedsel. We zijn in gesprek met de scholen en gemeente om te zorgen dat dit standaard wel in het pakket komt. Het is een heel groot onderwerp en daarom zijn wij gewoon aan de slag gegaan. Daardoor wordt het straks gewoon een beleid.”

Normaal maakt Vanhulley boxershorts van oude overhemden en rest textiel. Nu is het een bruisende hub van tijdelijke vrijwilligers die mondkapjes en schorten maken voor de industrieën, die daar door Corona crisis een nijpend tekort aan hebben.

“Ik wilde al direct mondkapjes gaan maken”, zegt Jolijn Creutzberg oprichtster van Vanhulley, een werkervaringsplek is voor vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt. “Maar het bleek dat het best lastig is om goede mondkapjes te maken voor de zorg. Dat zou alleen maar voor schijnzekerheid zorgen.”

In eerste instantie bleef het naaiatelier dicht na de aankondiging van de maatregelen van het kabinet, het maken van de boxershorts lag stil en ook de mondkapjes werden niet gemaakt. “Voor veel van onze vrouwen is het een beangstigende tijd. Ze vinden het heel spannend om de deur uit te gaan. Al merken we nu wel, dat nu het wat langer duurt ze zich wat veiliger gaan voelen en vaak als ze een ochtend geweest zijn ze weer terugkomen om weer te helpen.”

Een paar weken geleden begon Vanhulley toch met het maken van mondkapjes. “Ik werd benaderd al snel door andere industrieën benaderd die nu een te kort hebben aan mondkapjes. Alle beschikbare mondkapjes gaan nu naar de zorg”, legt Jolijn uit. “Daarom zijn we toch begonnen met het maken ervan.”

Dat doen ze met een heleboel vrijwilligers die in dagdelen komen werken. “Veel mensen zeggen: we zitten anders toch thuis en nu kunnen we wat bijdragen. Het atelier is groot genoeg waardoor we gemakkelijk die anderhalve meter afstand kunnen bewaren en lunchen doen we in shifts”, zegt Jolijn.

De bijdrage van de vrijwilligers is tweevoudig. Aan de ene kant zorgen ze er samen voor dat er voor iedereen genoeg mondkapjes zijn, en aan de andere kant zorgen de vrijwilligers er voor dat Vanhulley financieel overeind blijft door mee te helpen aan de orders die binnenkomen. “We hebben vorig jaar geen goed jaar gehad. We zijn begonnen met een B2B lijn en dat kost tijd om op te zetten”, zegt Jolijn. “Dit jaar begon onze B2B lijn echt goed te lopen en we hadden in maart een fantastische maand. Dus we dachten: als we nu het tweede kwartaal hard gaan knallen, dan hebben we wat meer spek op onze botten. En toen kwam Corona.”

Schorten maken voor de zorg

Naast het maken van de mondkapjes heeft Vanhulley nu ook andere orders die zorgen dat de inkomsten blijven binnenkomen. Bijvoorbeeld een order van het UMCG. “We vervangen de elastieken van de mondkapjes die ze hebben. De elastieken van mondkapjes die ze hebben gekregen uit China laten snel los.”

Daarnaast maakt Vanhulley in samenwerking met andere Nederlandse naaiateliers beschermende schorten. “Er is een nijpend te kort aan deze schorten. Voor het maken van de schorten zijn veel minder vereisten qua hygiëne in vergelijking met de mondkapjes. Maar het gaat wel om grote aantallen.”

Op dit moment is Vanhulley voornamelijk bezig met het maken van mondkapjes en maken ze helemaal geen boxers meer. Alles is gefocust op het ondersteunen van de bedrijven die daar behoefte aan hebben tijdens Corona.

Dankbaarheid

Ondanks dat Corona geen fijne situatie is, is Jolijn dankbaar en optimistisch. “Het is goed om te zien dat we zo’n hoge productiecapaciteit aankunnen en dat er zoveel mensen komen helpen.”

Ondanks dat we door social distancing niet bij elkaar op bezoek kunnen komen, heeft Jolijn wel het gevoel dat mensen dichter bij elkaar komen. “Ik vind het heel gaaf om te zien dat er toch zoveel mensen betrokken zijn en willen komen helpen. Dat geeft echt een heel goed gevoel, dat mensen het zo fijn vinden wat je opgezet hebt”, zegt Jolijn. “Ik heb zelf leren leven met het idee dat ik niet weet of Vanhulley volgend jaar nog bestaat. En dat geeft een soort rust. Ik kan daardoor heel erg genieten van wat ik nu in het atelier zie. Dat had ik echt nooit willen missen. Wat er ook gebeurt, ik heb dit wel meegemaakt. Het geeft echt een boost om te zien hoe betrokken iedereen is bij iets wat je hebt opgebouwd.”

Ook meehelpen als vrijwilliger bij Vanhulley. Je kunt je hier opgegeven.

Wilbert van de Kamp doet heel veel verschillende dingen. Maar het belangrijkste is dat hij de verbinding zoekt met mensen en, naar eigen zeggen, dingen aan elkaar knoopt. Bijvoorbeeld door etentjes met boeren te organiseren. “Ik vind dat mensen met boeren moeten praten, want de meesten hebben nog nooit met een boer gepraat. En praten met elkaar creëert begrip.”

Verbinding en mensen verbinden

Dingen samen doen en elkaar verder helpen is iets wat voor Wilbert erg belangrijk is. “Ik heb de meest positieve ervaringen gehad door op mensen te vertrouwen en ik heb juist de meest negatieve ervaringen gehad als ik alles alleen probeerde te doen.”

“Eigenlijk vind ik verbinding gewoon een rot woord”, zegt Wilbert. “Maar het is wel de kern. Er zijn een heleboel dingen die niet op te lossen zijn met een oplossing, maar door de verbinding met elkaar aan te gaan kom je veel verder. Neem bijvoorbeeld de boerencrisis. Dat probleem kan je proberen op te lossen, maar zonder de verbinding aan te gaan, heb je geen idee waar iedereen op zit te wachten en wat er echt nodig is.”

Om ergens te komen is het wel echt belangrijk om goed naar elkaar te luisteren en daar moet je mensen in meenemen. “Als jij voor mensen besluit zonder dat je weet waar je het over hebt, dan weet je helemaal niet of ze daar wel op zitten te wachten”, meent Wilbert. “Ik maak nu een documentaire over witte mannen aan de macht. Helaas bestaat het team volledig uit witte mannen. Het was veel beter geweest als iemand met een andere huidskleur onderdeel van het team was geweest. Want dan krijg je een tegenovergestelde visie.”

9000 pompoenen en praten met boeren

Behalve verschillende mensen met elkaar verbinden doet Wilbert soms ook dingen waarvan mensen denken: hij is knettergek. Zo kocht hij vorig jaar 9000 pompoenen van een boer. “Gewoon omdat ik dat graag wilde. Daarna kwam ik er pas achter waarom ik dat heb gedaan”, zegt Wilbert. “Ik heb ervan geleerd hoe erg het is voor een boer om met producten te blijven zitten die je niet kwijt kunt. Maar ook hoeveel er nog bij de voedselbank te verbeteren is. Ik heb ook geleerd hoe moeilijk het is om pompoenen kwijt te raken. Ik dacht dat ik er wel 7000 kwijt zou kunnen, en dat viel even flink tegen.”

“Een vriendin zei laatst tegen me dat ik oplossingen zie voordat ik de problemen zie. Dat is ook echt zo. Met die pompoenen bijvoorbeeld, die heb ik gekocht omdat ik dacht ‘waarom niet’, en daar heb ik achteraf heel veel van geleerd.”

Een schop onder je kont

Problemen oplossen en mensen aanzetten tot actie, dat is wat Wilbert het meeste doet. “Het probleem met mensen inspireren is, dat er vaak geen actie ondernomen wordt. Soms moet je mensen echt een schop onder hun kont geven om te zorgen dat er iets gebeurt.”

Zo is het ook met Omapost gegaan. “Ik ben daarin gestruikeld. Iemand pitchte dat idee op een start-up weekend en toen zijn we dat gaan doen. Dat komt ook een beetje omdat ik te a-relaxed ben om dingen los te laten, dus dan ga ik maar gewoon aan de slag.”

Maar ook hier, was er eerst een oplossing voordat Wilbert echt het probleem kende. “Ik dacht: ja mijn oma wordt blij van die kaartjes, maar wat voor impact maakt het nou echt? Ik ben toen vrijwilligerswerk gaan doen in een verzorgingstehuis en toen begreep ik pas echt waarom ik dit was gaan doen en welke impact het maakte op de mensen die daar zitten.”

Dat is sowieso iets waar Wilbert vindt dat veel mensen nog meer betrokken kunnen worden; bij de maatschappij. “Veel dingen zijn te vrijblijvend. Iets liken op Facebook, of interesse tonen in een event en dan toch niet gaan. Het is allemaal te vrijblijvend. We missen tegenwoordig het community gevoel. Daarom moeten mensen echt over een drempel om zich ergens mee te verbinden.”

In actie komen

En daar is Wilbert dan weer goed in. Zoals hij zelf zegt: mensen een schop onder hun hol geven. In actie komen. “Ik vind het ook fijn om dingen te doen die groter zijn dan ik. Bijvoorbeeld de talk show ‘HELP!?’ in het Forum dat doe ik met drie anderen. Dat zijn van die dingen die nog steeds bestaan als ik onder een bus zou lopen. Daar zit natuurlijk ook wel een beetje ego achter; dat ik wat achterlaat, want ik ben niet Roomser dan de paus.”

“Als je samenwerkt met andere mensen, dan gebeuren er dingen. En er zijn heel veel mensen met veel ideeën, maar niet iedereen doet er iets concreets mee. Die mensen help ik om echt door te pakken en hun ideeën uit te voeren, want als je het nooit gedaan hebt, dan weet je het ook niet. Soms moet je gewoon eerst beginnen en dan leer je daar heel veel van en kun je zo positieve impact maken.”

Nicole Kuper riep op de basisschool al dat ze met mensen met een beperking wilde werken. Later zeiden zij en haar man dat ze rond hun 40ste een restaurant wilde. Laat dat nou de perfecte combinatie zijn. Dat restaurant kwam er al veel eerder, toen Nicole 23 was. “Dit jaar zijn we vier jaar open.”

Nicole en haar man werkten allebei in de zorg. “Als we het over ons toekomstige restaurant hadden, zei ik altijd ‘je denkt toch niet dat ik dan normale mensen aanneem?’”

Toen ze er achter kwam dat Brownies&downieS nog mensen voor een franchise zochten is ze op de site gaan kijken. “Puur uit interesse”, zegt ze. “Ik heb ook wat informatie aangevraagd zodat we ons erin konden verdiepen voor als we straks veertig zouden zijn. We waren zo enthousiast dat we gelijk op gesprek gingen op het hoofdkantoor en een paar weken later hebben we onze banen opgezegd.”

In de tijd dat ze Brownies&downieS in Groningen aan het opzetten waren, was Nicole hoogzwanger. “We hadden gezegd dat we zouden proberen een kindje te krijgen nadat we op vakantie waren geweest in Ghana, maar Brownies&downieS kwam daar tussendoor. Toen dat definitief was, had ik twee weken later een positieve zwangerschapstest in mijn handen.”

Een bijzonder jaar dus en voor Nicole is dit echt een roeping. “Soms lijkt een gewoon restaurant me wel lekker, maar ik denk dat ik het er na een dag wel weer mee gezien heb. Voor mij is de combinatie van alles gewoon perfect. Ik zou niet fulltime in de horeca of gehandicaptenzorg kunnen werken, en ook niet fulltime ondernemer kunnen zijn. Maar nu kan ik van alles wat doen.”

Aan het werk

Dagelijks zijn er maximaal zes mensen met een beperking aanwezig in het restaurant en er is een behoorlijke wachtlijst. Toch kiezen ze ervoor om de groepen niet groter te maken. “Anders zitten de cliënten de helft van de tijd niets te doen”, zegt Nicole. “Ze zijn aan het werk en dat moet ook echt zo voelen, ze mogen best moe thuiskomen. Het gevolg is dat ze zelf ook echt zeggen dat ze naar hun werk gaan en niet naar hun dagbesteding. Dat voelt voor hunzelf ook veel beter.”

Het heeft ook een positieve uitwerking op de cliënten die door hun werk zelfstandiger worden. “Ik hoor van veel ouders dat hun kinderen meer initiatief nemen thuis, bijvoorbeeld door zelf de vaatwasser uit te ruimen of koffie te zetten. Dat zijn dingen die ze op hun werk ook doen.”

Nicole merkt dat in het restaurant ook. “We hebben een medewerker dat bij ons werkt en in het begin zei ze dat ze echt niet wilde serveren, dat vond ze eng. Nu holt ze bijna naar de deur als er mensen voor de deur staan.”

“We hebben ook een dove medewerker en iemand die niet kan lezen en schrijven. Beiden nemen zelfstandig hun orders aan. We hebben ze hulpmiddelen gegeven zodat ze dat helemaal zelfstandig doen. Voor hun is dat ook echt iets waar ze heel trots op zijn.”

Die zelfstandigheid is iets wat Nicole heel belangrijk vindt en waar ze ook op aanstuurt. “We krijgen wel eens ouders die denken dat hun kind een te laag niveau heeft om bij ons te kunnen werken. Daar ben ik het niet mee eens. Er is altijd wel iets wat iemand kan doen en leuk vindt.”

Brownies&downieS tijdens Corona

Tijdens de Corona tijd zit het restaurant dicht, maar sinds begin mei begon Brownies&downieS toch met het bezorgen van eten. Terwijl ze dat eerder niet van plan waren. “Het kon gewoon niet uit”, zegt Nicole. “Nu weet ik nog steeds niet zeker of het uit kan, maar we zijn al zolang dicht dat het wel fijn is om weer wat te doen.”

Tot begin juni zijn alleen de kok en de begeleiders aan de slag. De cliënten mogen daarna pas weer aan het werk. “We hebben 16 mensen met een beperking bij ons werken, maar die begeleiding kan ik niet alleen, daar heb ik mensen voor in dienst en die gaan nu weer aan het werk.”

Het is namelijk lastig voor de cliënten om 1,5 meter afstand te houden. “De begeleiding van sommigen gaat gewoon echt niet op 1,5 meter. Veel hebben het niveau van een vier- of achtjarige, voor hun is het moeilijk om uit te leggen waarom ze die afstand moeten houden. Dus totdat daar goede regels over zijn van de overheid blijven zij thuis.”

Het grote geluk voor Brownies&downieS is dat ze officieel een dagbesteding zijn. “Wij krijgen geld omdat de cliënten bij ons aan het werk zijn”, legt Nicole uit. “Normaal krijgen we geld voor geleverde zorguren. Dus als onze cliënten ziek zijn of op vakantie, dan krijgen we niets. In deze periode zijn er aangepaste regels dat die uren wel gewoon doorbetaald worden. Dat is echt heel fijn, want niemand is er bij gebaat als de dagbestedingen failliet gaan.”

“Het voordeel is ook dat we een goedlopend en winstgevend restaurant hebben. We lopen tienduizenden euro’s mis door de Coronamaatregelen, maar het gaat ons niet de kop kosten”, zegt Nicole. “Ik ben daar ook heel nuchter in en heb er geen moment van wakker gelegen. In dit geval loont het echt om een sociaal ondernemer te zijn.”

Normaal maakt Vanhulley boxershorts van oude overhemden en rest textiel. Nu is het een bruisende hub van tijdelijke vrijwilligers die mondkapjes en schorten maken voor de industrieën, die daar door Corona crisis een nijpend tekort aan hebben.

“Ik wilde al direct mondkapjes gaan maken”, zegt Jolijn Creutzberg oprichtster van Vanhulley, een werkervaringsplek is voor vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt. “Maar het bleek dat het best lastig is om goede mondkapjes te maken voor de zorg. Dat zou alleen maar voor schijnzekerheid zorgen.”

Lees verder op Impact Less

Dat ik van interviewen hou is geen geheim. En eigenlijk vind ik alle interviews die ik doe super leuk. Maar er zijn een paar die voor mij heel bijzonder waren en die wil ik vandaag graag met je delen.

Tweedehandskleding, rechtvaardig voor mens en klimaat

Duurzame kleding, saai? Niet als het aan Julia Visser ligt. In haar hippe winkel, Regverdig, in Leeuwarden verkoopt ze tweehandskleding voor een fijn prijsje. “Er komen dagelijks mensen in de winkel die zeggen: ‘oh ik had niet door dat dit tweedehands is.’”

Duurzaamheid zat er altijd al wel een beetje in bij Julia. Vroeger struinde ze al vaak de kringloop door op zoek naar mooie dingen te vinden. “Ik had een bijbaan in de kringloopwinkel en later, toen ik in Engeland woonde, ook in de Engelse variant daarvan: een charity shop”, zegt ze. “Toen viel het me op hoeveel mooie dingen mensen afdanken. Dingen die gewoon prima nog een tweede leven kunnen krijgen.”

Lees verder op Impact Less

Saraï Pannekoek helpt vrouwen hun relatie met voeding te verbeteren

Vrouwen helpen met het verbeteren van hun relatie met eten, om zo beter voor zichzelf en hun omgeving te kunnen zorgen. Dat is Saraï Pannekoek’s missie. “Het creëren van een duurzamere, betere wereld begint bij de jeugd en dat begint weer bij de ouders.”

Bij Saraï begon het ook bij haar ouders. “Mijn moeder is Molukse en mijn vader een Zeeuw. Dus we waren best zuinig bij ons thuis. Als er iets stuk was, dan werd er altijd eerst gekeken of we het konden maken. Er werd bijna niks verspild bij ons thuis. Nu noemen we dat duurzaam, maar het is bij mij echt met de paplepel ingegoten.” Dat is tot op de dag van vandaag ook een thema in Saraï’s leven. “Ik houd bijvoorbeeld ook helemaal niet van winkelen. Als ik iets moet kopen dan kan ik daar rustig twee tot drie weken over nadenken voordat ik het dan toch maar ga kopen. Het is voor mij ook heel belangrijk dat alle spullen een betekenis en een verhaal hebben. Ik zal dus ook niet zomaar wat kopen.”

Lees verder op Impact Less

Echte duurzaamheid is meer uit je eigen kledingkast halen

Hoeveel kledingstukken heb jij in je kast? En hoeveel gebruik je daar écht van? Waarschijnlijk gebruik je, zoals de meeste mensen, maar een fractie van de kleding die je hebt. Zonde, vindt Marije Douma. Op Instagram posts ze onder @marije_sustainablecollective tips over het combineren van kleding, hoe je duurzame, leuke items shopt en hoe je zoveel mogelijk uit je eigen kledingkast haalt. ”Ik wil mensen laten zien dat ze niet steeds meer nieuwe spullen nodig hebben”, aldus Marije

Recent is Marije begonnen om mensen een-op-een te begeleiden om zoveel mogelijk uit hun kledingkast te halen en het echt definiëren van hun eigen stijl. Zo shop je veel bewuster, maak je goede keuzes en voorkom je dat je een kledingkast vol hebt met dingen die je nooit draagt. Dat wilde ik zelf ook wel eens uitproberen, want ook ik had een dikke kledingkast waar maar tien items regelmatig in de wasmand lagen.

Lees verder op Impact Less

Een aantal maanden geleden lanceerde ik iets nieuws. Stilletjes. Te stilletjes eigenlijk. Want ik ben er nog steeds verschrikkelijk trots op. In februari lanceerde het online magazine: Impact Less.

Het online magazine is een inspiratieplatform voor sociaal en duurzaam ondernemers. Echte impact makers dus. Tijdens de lancering op 6 februari was er ook een pdf versie met alle stukken en interviews.

Elke week verschijnen er inspirerende interviews met ondernemers zoals Carl Drenth van Alfa en Jos Meijers van Toentje.

Carl Drenth

Alfa maakt klanten bewust van de impact die ze al maken

Duurzaamheid vindt Carl Drenth een rot woord, maar het omschrijft wel het beste wat hij bedoelt: een goede balans tussen people, planet, profit en pleasure. “Zoals Johan Cruijff zei: Het goede doel is niet je eigen doel. Daar ben ik heilig van overtuigd. Daar wil ik een belangrijke rol in hebben”, zegt Carl.

Accountant kantoor Alfa is 75 jaar geleden ontstaan vanuit het verzet. “Van oudsher waren we er echt voor de boeren. We hebben het nooit voor ogen gehad om te gaan voor maximale winst. Dat zit gewoon niet in onze organisatie”, zegt Carl. “We gaan echt voor duurzame relaties met klanten, medewerkers een maatschappij. Sommige van onze klanten zijn al 50 jaar klant. En onze medewerkers krijgen de kans om zich ruim te ontwikkelen. Doen we dat niet, dan zijn ze snel weg.”

Lees de rest van het interview op op Impact Less.

Tuinieren midden in Groningen stad voor de voedselbank

In 2012 was Jos Meijers het zat om voor een baas te werken. En terwijl hij thuiszat, bedacht hij een revolutionair nieuw idee: een voedseltuin voor de voedselbank, midden in Groningen stad. Daar is Toentje uit ontstaan. “In het hoogseizoen leveren we nu 4500 kilo aan de voedselbank. Dat komt neer op 18.000 porties per jaar. En met ons nieuwe project ‘Boeren voor de voedselbank’, wordt dit alleen maar meer. Toentje, Terra en een aantal akkerbouwers gaan samen aan de slag voor een nog grotere stroom van groenten voor de voedselbanken.”

“In mijn vorige werk kwam ik veel jongens tegen, die van de voedselbank afhankelijk waren”, vertelt Jos. “Die vertelden dat er veel houdbare producten waren zoals macaroni, en producten in blikken, maar geen verse levensmiddelen. Daar wilde ik wat aan gaan doen.”

Lees de rest van het interview op Impact Less.

Wil je de PDF versie van het eerste nummer downloaden? Dat kun je hier doen.

Op 29 juli 2019 was het Earth Overshoot Day. Het moment waarop iedereen, die weet wat het is, collectief meer in paniek raakt dan anders. Ook het punt waarop ondernemen met betekenis belangrijker is dan ooit. Maar ook het moment waarop prins Harry verkondigde dat hij maar twee kinderen wil vanwege het klimaat. Blijkbaar ‘kost’ een kind per jaar net zoveel als de uitstoot van 5 vervuilende auto’s.

Maar wat velen niet weten is dat Earth Overshoot Day een gemiddelde is van de hele wereld. De Overshoot day van Nederland was bijvoorbeeld in mei. En je kunt het zelfs uitrekenen wanneer jouw Overshoot day is. De mijne? Die was op 22 juni. Dat betekent dat er 2.1 aarden nodig zouden zijn als iedereen precies zoals mij zo leven. Best schokkend voor een veganist zonder auto. Zelfs ik trek de aarde sneller leeg dan zij het aan kan vullen.

Ondernemen met betekenis

Ondernemen, iets doen waar de wereld beter van wordt

Iets doen waar de wereld beter van wordt. Dat is wat ik wilde doen. Maar hoe ziet dat er over drie jaar uit? Of zelfs over een jaar? En nog belangrijker, wat wil ik nou écht?

De afgelopen vijf jaar dat ik onderneem heb ik hier nooit echt goed over nagedacht. Toen ik me in 2014 weer inschreef bij de KvK, na twee jaar Engeland, had ik maar één doel voor ogen: ik wilde gaan freelance voor tijdschriften zodat ik kon backpacken en eindelijk eens iets van de wereld kon zien. Wie mijn klanten waren? Nou, ik ging reizen, dus reistijdschriften. Het liefst tijdschriften in het buitenland, of blogs, als het maar Engels was. Engels is gewoon een veel leukere taal. Het vloeit zo lekker vergeleken met het Nederlands. Nee ik wist het zeker; ik wilde voor tijdschriften schrijven.

Van tijdschriften naar contentmarketing

Leuk idee. Ik dacht: internationale markten, veel keus, dat moet helemaal goed komen. Maar pitchen blijft een numbers game en ik bleef maar pitchen zonder ook maar één ding terug te horen. Ik had hier en daar een paar kleine opdrachten, maar niets om de rekeningen van te betalen.

En ja, dan kom je in de content marketing terecht, want laten we even eerlijk zien, daar is wél werk. Bedrijven staan te springen om mensen die kunnen schrijven. Ondernemers zijn goed in heel veel dingen, maar vaak is schrijven daar niet een van. En toen begon het echte aanmodderen pas echt. Zonder een idee van wat ik wilde, wat ik leuk vond en wat ik precies kon, ging ik de markt op. Ja, ik kon blogjes schrijven. En voor wie? Voor ieder bedrijf dat blogs nodig heeft voor hun site. En dat is iedereen, want iedereen heeft contentmarketing nodig. Lekker zo’n grote markt.

Stéphanie de Geus van Story Sparks
Stéphanie de Geus van Story Sparks

Je niche, hoe specifieker hoe beter

Je kan denk ik wel raden wat daarna gebeurde. Helemaal niets dus. Ik kreeg steeds minder zin in schrijven, ik vond het steeds minder leuk en wilde er eigenlijk maar gewoon mee stoppen.

Niet voor het eerst had ik het gevoel dat ik helemaal niets bijdroeg. Eerder tijdens mijn werk in Engeland als hoofdredacteur van Simply Cards & Papercraft, voelde ik een leegte. Ik droeg bij aan het kapitalisme, aan een verslaving van mensen waar ze elke maand heel veel geld uitgaven aan nog meer hobbyspullen. Dat paste steeds minder met wat ik wilde doen en hoe ik de wereld zag. Dat wil ik dus anders doen. Zodat ik niet steeds elke avond in bed stapte denkend “Wat heb ik nou weer bijgedragen aan de wereld?”

Vanaf nu ga ik ondernemen met betekenis

Alleen deze keer voelde ik me niet alleen alsof ik niets bijdroeg, ik voelde me ook alsof ik niets kon bijdragen. Tijd om terug te gaan naar de basis. Of eigenlijk te beginnen met een basis die ik nooit heb gehad. Door heel veel gesprekken met mensen die al langer bedrijven runnen en mijn coach kwam ik er achter wat ik wilde, of in ieder geval in welke richting ik het moest zoeken: mensen helpen om de wereld mooier te maken. Kortom, ik wilde ondernemen met betekenis.

Daarom help ik sociaal en duurzame ondernemers om de wereld een stukje mooi, gezelliger, socialer en groener te maken door te zorgen dat hun verhalen gezien en gehoord worden. Zodat ik aan het eind van de dag kan zeggen: ja daarom, ben ik uit mijn bed gekomen vandaag. Ik kan niet wachten op alle mooie dingen die ik morgen mag gaan doen.